ADD

Attention Deficit Disorder

Attention Deficit Disorder (ADD) is een aangeboren psychische aandoening die veroorzaakt wordt door een afwijking in de werking van neurotransmitters in de hersenen. Dit leidt tot een verminderde hersenactiviteit in bepaalde gebieden in de hersenen, met name in de premotorische cortex en in de prefrontale cortex. Volgens DSM-IV-criteria valt ADD onder ADHD-I: “the predominantly inattentive type” ("het overwegende onoplettende type”), die gekenmerkt wordt door aandachtsproblemen en concentratieproblemen. Volgens onderzoeken komt ADHD bij 3 tot 5% van de kinderen voor en bij zeker 1% van de volwassenen. ADD en ADHD komt voor bij mensen van alle soorten opleidingsniveaus.

De geschiedenis van ADD

In 1937 werkte de arts Charles Bradley in een inrichting voor moeilijk hanteerbare jongens. In plaats van deze jongeren door middel van harde tucht te leren functioneren besloot hij hen stimulerende medicijnen toe te gaan dienen. Hij had al eerder en bij toeval ontdekt dat stimulerende medicatie, die onder andere werd toegepast als middel om af te vallen, een kalmerend effect had op een bepaalde groep mensen. Het resultaat was verbluffend. Terwijl menig collega Bradley voor gek verklaarde omdat ze er al vanuit waren gegaan dat de problemen alleen maar zouden verergeren, gebeurde het tegenovergestelde. Deze onhandelbare jongens bleken nu in staat om zich beter te concentreren en hun gedrag werd beheersbaar. Het leek alsof er figuurlijk op een rem werd getrapt die de chaos van de hersenen leek te verminderen. Helaas heeft het nog erg lang geduurd voordat er erkenning was voor een medische verklaring. Misschien wel vanuit schaamte omdat men eeuwenlang van mening was dat slechts door middel van harde tucht ongewenst gedrag kon worden beteugeld.

Vanaf dat moment is er een begin gemaakt met een grondig medisch onderzoek naar dat, wat we nu ADHD zijn gaan noemen. Men ontdekte dat er niet alleen sprake was van hyperactiviteit maar ook vormen van alleen aandachtstekort– en concentratiestoornissen; Attention Deficit Disorder, oftewel ADD. In de jaren 1970 kwam men tot de conclusie dat ADHD geen typische kinderziekte was die rond de puberteit zou verdwijnen, maar dat zo’n 60% ook daarna als volwassene last zou blijven houden van de symptomen. Ondanks deze wetenschappelijke feiten was nog steeds de algemene maatschappelijke mening dat AD(H)D een moralistisch probleem was en geen biologische oorzaak had. Ook waren er nog veel aanhangers van het freudiaanse tijdperk die vooral van mening waren dat AD(H)D een neurotische afwijking was en veroorzaakt werd doordat ouders steeds minder tijd en aandacht voor hun kinderen hadden.

Een grote doorbraak werd in 1990 gemaakt tijdens het maken van een PET-scan waar men verschillen in hersenactiviteit ontdekte tussen volwassenen met AD(H)D en volwassenen zonder AD(H)D. Toen men daarna besloot om door middel van MRI een duidelijker beeld te krijgen, werden nog grotere verschillen ontdekt. Bovendien bleek uit een nieuw genetisch onderzoek dat AD(H)D een familiekwaal was en voor ongeveer 75% erfelijk belast.

Ondanks al deze bewezen feiten zijn er zelfs nu nog genoeg mensen erg sceptisch en zijn ze nog steeds van mening dat AD(H)D een kwestie is van gebrek aan mentaliteit en een morele inslag. Nog vaak wordt beweerd “waar een wil is, is een weg” en zolang er maar voldoende motivatie is, vrijwel alles mogelijk zal zijn. Helaas is voor iemand met ADD hier nauwelijks aan te voldoen omdat de hersenen simpelweg een andere hiërarchische indeling maken voor wat betreft prioriteiten en belangrijke taken.

Diagnose

Men is tot kort geleden in de veronderstelling geweest dat ADHD een typische kinderziekte was die rond de puberteit weer zou verdwijnen. Inmiddels is bekend dat zo'n 60% op volwassen leeftijd nog steeds klachten blijft ondervinden, meestal in de vorm van ADD. ADD wordt doorgaans vastgesteld door een psychiater, psycholoog of een orthopedagoog met in ieder geval een basisaantekening psychodiagnostiek (BAPD). Zij zijn hiervoor specifieker opgeleid dan een huisarts die wel bevoegd is ADD vast te stellen. Enkel een arts of psychiater zijn echter ook bevoegd om eventueel medicatie voor te schrijven.

Er is geen test voor ADD. De diagnose van ADD wordt gesteld op basis van medische geschiedenis met, indien mogelijk, medewerking van anderen die persoon kennen of gekend hebben. Neurologische testen kunnen zin hebben om meer te leren over mentale sterke en zwakke punten van de persoon, maar niet om uit te zoeken of hij al dan niet ADD heeft.

Omdat bijna iedereen wel momenten heeft dat hij of zij kenmerken van ADD vertoont, omschrijft de DSM-IV een aantal specifieke richtlijnen waarmee ADD kan worden opgespoord. Iemand met ADD zal de onderstaande vragen allemaal met "ja" moeten beantwoorden.

Zijn de gedragingen buitensporig?
Was het afwijkend gedrag al aanwezig in de kindertijd?
Komen de gedragingen bij de persoon meer voor dan bij andere mensen van dezelfde leeftijd?
Veroorzaakte het gedrag een serieuze handicap in ten minste twee levensfasen?
Vormen de gedragingen een continu probleem, en zijn ze niet te wijten aan een tijdelijke situatie?
Komen de gedragingen in meerdere situaties voor of enkel op een aantal specifieke plaatsen (zoals op het werk)?

Wanneer deze vragen positief worden beantwoord, zal er een vervolgonderzoek komen waarin wordt onderzocht of de klachten niet van tijdelijk aard zijn of gerelateerd zijn aan een ander psychiatrische stoornis (comorbiditeit). Vervolgens zal de onderzoeker aan de hand van een gespecificeerde vragenlijst de diagnose vaststellen.

Het nadeel van deze criteria is dat men er van uitgaat dat deze klachten aanwezig dienen te zijn in alle leefgebieden zoals wonen, werken of in andere situaties waarbij de omgeving bepaalde eisen of normen verwacht. Een ander nadeel is dat men veronderstelt dat deze symptomen al in de eerste zeven levensjaren aanwezig is. Deze symptomen zijn echter bij mensen met ADD in de kleutertijd lang niet altijd goed zichtbaar. Vooral bij volwassenen die in de jaren zeventig zijn opgegroeid, vormden aandachtstekort- en concentratiestoornissen lang niet altijd voor veel (maatschappelijke) problemen. Daarom worden ze in een standaard onderzoek ook moeilijk herkend. Bovendien zijn de ouders die betrokken worden bij het onderzoek al op een respectabele leeftijd en hun informatie is niet altijd meer helder, betrouwbaar en nauwkeurig. Aangezien ADD voor 70 procent erfelijk wordt belast, is de kans groot dat één van de ouders zelf ADD heeft. Dit betekent dat er in het gezin van herkomst andere en lagere normeringen gelden als het gaat om prestaties en dat dit zelden als een probleem werd ervaren.

ADD en ADHD

Mensen kunnen ADD hebben zonder hyperactief gedrag te vertonen als bij ADHD. ADD wordt door wetenschappers als een neurobiologische stoornis beschouwd: er zijn steeds sterkere aanwijzingen dat genetisch/biologische factoren een sleutelrol spelen, met name een tekort aan (en/of onevenwicht in de aanwezigheid van) twee neurotransmitters in de hersenen: dopamine en noradrenaline. Bij ADHD'ers leidt deze afwijking in neurotransmitters tot aandachtsproblemen, hyperactiviteit en impulsief gedrag. Bij ADD'ers zijn hyperactief en impulsief gedrag in mindere mate aanwezig, of geheel afwezig. Ook komt het vaak voor dat kinderen met ADHD, naarmate ze ouder worden, minder hyperactief en impulsief gedrag vertonen, en getypeerd kunnen worden als ADD in hun volwassen leven.

ADD in combinatie met dyspraxie wordt ook wel DAMP-syndroom genoemd.

Kenmerken

Verondersteld wordt dat ADD-ers' hersenen anders functioneren dan die van niet-ADD'ers. Mensen met ADD hebben een enorme gedachtenstroom waardoor ze vaak dromerig of ongeïnteresseerd overkomen op andere mensen. Door deze gedachtenstroom kunnen ze zich moeilijk concentreren op voor dat moment relevante zaken. Het “filter” dat relevante van irrelevante zaken onderscheidt, ontbreekt bij deze mensen. Mensen met ADD zijn snel afgeleid, rusteloos en vaak impulsief in hun gedrag. Kenmerkend voor ADD'ers is het hebben van meerdere intense stemmingsschommelingen op een dag, slaapproblemen, vergeetachtigheid, ongeorganiseerdheid, en een onderontwikkeld tijdsbesef. Daarnaast hebben ADD'ers net als hyperactieve ADHD'ers vaak moeite om stil te zitten. Ook zijn deze mensen vaak overgevoelig voor audio en visuele impulsen. ADD'ers hebben vaak moeite om gesprekken te volgen in een groep mensen omdat ze zich niet kunnen focussen op een gesprek, maar zich focussen op alle gesprekken die op dat moment gaande zijn. In diverse literatuur vergelijken wetenschappers en mensen met ADD deze stoornis als "het luisteren naar een gesprek op de radio terwijl de uitzending verstoord wordt met veel ruis".

Vaak hebben AD(H)D'ers bijzondere vaardigheden ontwikkeld met betrekking tot het snel combineren van informatie en indrukken, probleemoplossend denken, creativiteit en originaliteit, en ruimtelijk inzicht. Mensen met ADD kunnen in bepaalde situaties hyperfocussen. In geval van hyperfocus is de betreffende persoon extreem geconcentreerd en is hij/zij zich niet bewust van wat er om zich heen gebeurt. Dit hoge concentratieniveau kan leiden tot het ontwikkelen van uitzonderlijke talenten. Omdat veel AD(H)D'ers een bepaalde prikkeldrempel nodig hebben, zullen ze in bepaalde risicovolle en crisissituaties alerter en beter gaan functioneren terwijl bij normale mensen het afbreukrisico juist toeneemt.

Behandeling

Medicatie is de effectiefste behandelwijze voor ADD. Dit wil overigens zeker niet zeggen dat het het enige onderdeel van een behandeling moet zijn; bovendien is medicatie niet in alle gevallen zinvol. Therapie, veranderingen van leefstijl zoals meer beweging en gezondere voeding, contact met andere ADD-ers en kennis van hoe ADD je beïnvloedt, kunnen allemaal een bijdrage leveren aan het beter leren omgaan met ADD.

Hoewel Ritalin (in België meestal verkocht onder de merknaam Rilatine) het gangbaarste middel is, zijn er ook andere middelen die ingezet worden. Soms kunnen de effecten en bijwerkingen zo sterk verschillen dat men kiest voor een ander medicijn. Dextro-amfetamine of Dexamfetamine is een andere, aan Ritalin verwante stimulerende medicatie, maar er zijn ook alternatieven zoals Strattera of bepaalde antidepressiva.

Deskundigen geloven dat het drugsmisbruik bij mensen met ADD waarschijnlijk gevallen zijn van uit de hand gelopen zelfmedicatie, die bij behandeling dan niet langer nodig is. Onderzoek bij ADD-jongeren die stimulerende medicatie gebruiken, laat zien dat drugsmisbruik bij hen minder voorkomt dan bij leeftijdgenoten. Ritalin, het meest gebruikte medicijn bij ADD, is vijftig jaar in gebruik en is zeer veilig als het volgens voorschrift wordt genomen. Dr. Hallowell (USA) stelt dat het feitelijk veiliger is dan aspirine.

Sommige artsen gebruiken neurofeedback (hersengolftraining) omdat het veronderstelt juist de oorzaak aan te pakken. Met neurofeedback zouden nieuwe neuronen aangelegd worden met gegevensbanen die een impact hebben op de neurotransmitter- en hormonenhuishouding volgens wetenschappelijk onderzoek. Een studie van Lubar in 1995 toonde aan dat bij 51 behandelde ADHD-gevallen er na 10 jaar blijvende positieve resultaten waren.

Ook voeding speelt mogelijk een belangrijke rol. Onder andere een glutenvrij, zuivelvrij en suikervrij dieet wordt gebruikt. Gluten-, zuivel- en suikergevoelige mensen maken natuurlijke endorfines (opoïde peptiden) aan die vergelijkbaar zijn met morfine.

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

ADD

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License