ADHD: modeverschijnsel of realiteit

Zorgen van leerkrachten voor zorgenkinderen…
Samen positief nadenken over ADHD bij kleuters
en lagereschoolkinderen.

ADHD: modeverschijnsel of realiteit?

1. ADHD IS EEN ERNSTIGE AANGELEGENHEID.

1.1 Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) is een ernstige zaak voor drie partijen:
Kind, ouders en omgeving (familie, vrienden, kennissen van de ouders en van het kind, leerkrachten…)

1.2 ADHD is een complexe, genetisch bepaalde ontwikkelingsstoornis die:
- de ontwikkeling van het kind bedreigt;
- én de omgeving van ditzelfde kind destabiliseert.

1.3 Bij jonge kinderen zijn het vooral signalen van de ouders en de omgeving die erop wijzen dat de
normale pedagogische middelen ontoereikend zijn en dat voor dit kind een opvoeding en behandeling
op maat nodig wordt.

1.4 Een multidisciplinair team zal zoveel mogelijk componenten onderzoeken (psycholoog, kinesist,
logopedist, maatschappelijk werker, kinder- en jeugdpsychiater, neuropediater…) die uiteindelijk
zullen getoetst worden aan de beslisboom van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental
Disorders (DSM -IV, American Psychiatric Association, Washington D.C). Het is die psychiatrische
afweging die uiteindelijk zal bepalen of een kind al of niet aan deze of gene psychiatrische
of ontwikkelingsstoornis lijdt.

1.5 In de DSM -IV staan de argumenten die het ADHD - type bepalen:
1.5.1 Overwegend een aandachtstekort type (soms met een verlaagde bewegingsdrang of hypoactiviteit:
de stille dromers, trage doch intelligente kinderen…).
1.5.2 Overwegend een impulsief en hyperactief type. De recente literatuur plaats doorgaans het
zogenaamde ‘hyperkinetisch syndroom’ (zoals beschreven in de International Classifications
of Disaeses, ICD –10) ) onder dit subtype.
1.5.3 Het gemengde type, dat het meest voorkomt = een combinatie van beide bovenstaande
subtypes.
De term ADHD is dus een vlag die vele ladingen dekt. In 2/3 van de gevallen gaat het om
hyperactieve kinderen. Het andere derde is dit niet en heeft bovendien –naast een ernstige
aandachtsregulatiestoornis- vaak een te lage bewegingsdrang.

1.6 Een multidisciplinaire diagnose beschermt het kind, de adolescent en ook de volwassene en hun
omgeving tegen lichtzinnige en voorbarige diagnoses:

1.6.1 we moeten ons afzetten tegen het lichtzinnig toedienen van medicatie.
(c) Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd. Verspreiding binnen school of vereniging is enkel toegelaten
binnen het kader van het project Eerste Hulp bij Leerstoornissen van VZW Die-'s-lekti-kus.
Titel: ADHD: modeverschijnsel of realiteit
Bron: Peter Glorieux, auteur van: “Gevraagd ‘Superouders’. Als opvoeden net niet loopt zoals je wenst”
1.6.2 we moeten ons afzetten tegen het lichtzinnig voorstellen van therapievormen

1.7 Tezelfdertijd pleiten we voor een ernstige afweging om medicatie en therapie in te schakelen als
de diagnose en de graad van de aandoening dit vereisen:

1.7.1 De huidige hype rond ADHD mag geen argument zijn om de diagnose niet (meer) te stellen.
1.7.2 Een ADHD –behandeling start altijd met degelijke en begrijpbare informatie aan de ouders
en de omgeving. Deze informatieronde is onontbeerlijk maar onvoldoende.
1.7.3 Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat bij ADHD-vormen die sterk ingrijpen op kind én
op de omgeving een combinatie van medicatie (methylphenidaten (bv. Rilatine ®),
pemoline… (bv. Stimul ®), diverse therapieën (bv. zelfinstructie) én opvoedingsondersteuning
van de ouders en de ruimere omgeving (zoals de schoolomgeving) de beste
waarborgen op succes bieden in die gevallen waar de normale pedagogische middelen
ontoereikend zijn.
Een definitie van een goede behandeling van een ontwikkelingsstoornis, zelfs in zijn lichtste
vorm, kan zijn: de behandeling richt zich tezelfdertijd op alle betrokkenen (*1). Elke stap ervan
wordt genomen met het permanente doel: de gouden driehoek (kind – ouders –
omgeving) beter te laten functioneren. Dit wordt bekomen na een zorgvuldig afwegen van
zoveel mogelijk factoren en in samenspraak met alle betrokkenen (*2), in het grootste respect
voor de persoon met de stoornis en met een grote deskundigheid en flexibiliteit omdat
deze stoornissen zich situeren in een dynamisch heden (*3),

(*1) Je kunt niet eerst het kind behandelen, en daarna de ouders, en pas dan de leerkracht informeren.
De stappen zullen op elkaar moeten afgestemd worden, en met een zo groot mogelijk
eensgezindheid uitgevoerd worden. Naast therapie voor diegene met het syndroom zal er zal
eveneens een –aan het individu aangepast- opvoedingshandelen– moeten aangeleerd worden
aan de omgeving door informatie, vorming en therapie.
(*2) Multidisciplinair team, in nauw overleg met ouders, leerkrachten…
(*3) Elke therapievorm moet zorgvuldig afgewogen worden. Soms vergt het tijd om de omgeving
van een volgende stap (bv. medicatie) te overtuigen. Derden hebben niet het recht om zomaar
een ingeslagen weg te veroordelen. De wetenschap evolueert ook zeer snel. Iedereen zal zich
dus moeten inspannen om deze evoluties bij te benen.

2. DE KENMERKEN VAN ADHD.

2.1 Een carrousel van problemen:
SOCIALE, MEDISCHE-EN PSYCHOLOGISCHE KENMERKEN
PRIMAIRE KENMERKEN
aandachtsregulatie, impulsiviteit, prikkelbaarheid, stoornissenbeweginsdrang
SECUNDAIRE KENMERKEN
veel voorkomende kenmerken, ontwikkelingsgebonden kenmerken, persoonsgebonden kenmerken

2.2 De diagnose en de behandeling is een multidisciplinaire aangelegenheid.
Het is –zeker bij het jonge kind- veeleer een gedragsdiagnose dan een diagnose die zich op genormeerde medische
of psychologische testen baseert. Toch is ADHD geen ‘natte-vinger-diagnose’ maar een wetenschappelijk
afwegen van kenmerken en factoren aan de hand van de beslisboom van de DSM –
IV. Vanaf dan is de diagnose wél wetenschappelijk onderbouwd!
ADHD is een verwarrend syndroom: Het is perfect mogelijk dat een kind met ADHD, van wie in
een verkennend gesprek wordt aangegeven dat er ernstige concentratieproblemen zijn, goed
scoort op gestandaardiseerde geheugen- en aandachtstesten. Een goede score op zulke testen
is geen voldoende argument om ADHD uit te sluiten.

2.3 Afhankelijk van de levensfase van het kind, KAN het syndroom zich uiten door:
2.3.1 Baby en peuters: motorische onrust, huilbaby, verstoord slaapritme, ijverige –
onvermoeibare ontdekkers… Over het algemeen komen kinderen met ADHD -in deze levensfase-
guitig, leergierig en bijdehands over, vaak tot groot jolijt van de omgeving. Maar,
bij zeer ernstige gevallen kan dit syndroom reeds in deze fase leiden tot een destabilisering
van het gezin!
De aanduiding ‘huilbaby’ blijft in vele gevallen een ‘aanduiding in de marge’. Nochtans is
het voor de ouders die het meemaken op dat moment een gigantisch probleem omdat
ze zelf oververmoeid en uitgeput raken. Er zijn baby’s die - spijts alle huis-, tuin-, en
keukenmiddelen - maanden en jaren amper noch overdag noch ’s nachts slapen. Miskenning
en banalisering kunnen ernstige gevolgen hebben voor zo’n gezin: shakingbaby-
syndroom, partnerproblemen die leiden tot echtscheiding…
2.3.2 Kleuters: De motorische gevolgen (hyper/hypo) worden zichtbaar, velen zijn verbaal sterk
(en verbazen hierdoor hun omgeving waardoor het probleem miskend wordt), roekeloosheid,
impulsiviteit… Bij kleuters met ADHD worden reeds motorische en psychomotorische
onrijpheidsignalen opgemerkt: Problemen in het opvangen van de bal, verkeerde pengreep,
moeilijkheden met de voorbereidende lees- en schrijfoefeningen. Bij de hyperactieve
vorm kan de onrust en de impulsiviteit reeds dusdanige gevolgen aannemen dat de
omgeving het gedrag als een probleem ervaart. Ook zullen de eerste tekenen (zeker bij de
oudere kleuter) van aandacht-regulatiefouten merkbaar worden (problemen met starten/
stoppen van een activiteit, overconcentratie voor de tv., niet kunnen wachten op een
beloning). Deze kleuters vertonen reeds moeilijkheden bij het aanleren van gedragsregels
(spelregels, normen, klasregeltjes…). Beide leerprocessen (leren door herhalen – leren
door het leggen van verbanden) verlopen moeilijker in vergelijk met syndroomvrije kinderen.
Behandeling: opvoedingsondersteuning van de ouders + adviezen voor de leerkracht: gericht
op inzicht in het syndroom, een gestructureerde aanpak, beogen van gedragsverandering
(bv. door beloningssystemen juist te hanteren)… Medicatie is eerder uitzonderlijk,
maar wordt wel voorgeschreven wanneer de ontwikkeling van de kleuter ernstig wordt bedreigd
én wanneer de omgeving door het gedrag van het kind disfunctioneert.
De omgeving typeert zo’n 10 % van alle kleuters als ‘hyperactief’. Deze groeien gelukkig
 niet allen uit tot kinderen met ADHD! Hyperactiviteit bij kleuters op zich is dus
niet voldoende voor een ADHD -diagnose!
2.3.3 Lagereschoolkinderen: Doorgaans zijn vanaf de leeftijd van ± zes jaar de primaire kenmerken
van het syndroom en de klinische gevolgen ervan van die aard dat de diagnose ondubbelzinnig
kan gesteld worden. Het aantal kinderen met ADHD (= de drie subgroep samen)
wordt in de lagere school geschat op 5%. De kenmerken van de kleuterleeftijd zetten
zich door. Belangrijk is dat het in eerste instantie niet gaat over kinderen met een verkeerde
motivatie, integendeel. Maar, het syndroom maakt dat hun gedrag als ‘niet passend’
wordt getypeerd door de omgeving. In de school valt het kind op door zijn impulsiviteit
(voor zijn beurt antwoorden), wisselend humeur, verbale over-activiteit, wisselende schoolresultaten,
houterige motoriek die soms leidt tot hilarische situaties (over boekentassen
vallen, pennen op de grond laten vallen, met overacting over de bal schoppen…). Hoe hyperactief
ze ook zijn, uiteindelijk zijn ze traag in de afwerking van hun taken: ze schrijven
groot en traag, ze verliezen tijd door ongecontroleerde bewegingen… Hun gedrag wordt
het best getypeerd door de boutade: alles of niets.
De impulsieve en hyperactieve groep stoort de omgeving. Daardoor wordt hun syndroom
vlugger opgemerkt dan bij diegene die net de tegenovergestelde motorische drang hebben:
de hypoactieven. Deze zijn tergend traag en sloom, komen overal te laat, zitten stil te
dromen in een hoekje… Maar hun probleem wordt door dezelfde regulatiestoornis veroorzaakt
die hen bovendien opzadelt met ernstige aandachtsmoeilijkheden. Doordat hun gedrag
de omgeving niet stoort denkt de omgeving pas laat (vaak te laat) aan een gestructureerd
syndroompatroon.
De gedragsaanpak vergt van de ouders en de leerkrachten een lang volgehouden inspanning.
Dit vormt in sociaalzwakke milieus een extra probleem.
In principe is tussen de behandeling van de hyperactieve en de hypoactieve vorm weinig
verschil, behalve dat de noodzaak om storend gedrag te beïnvloeden bij de laatste groep
wegvalt. De behandeling van beide groepen zal gericht zijn op alle pijlers tegelijkertijd. Medicatie
heeft steeds een ondersteunende karakter en is erop gericht om de gedragsaanpak
een betere kans tot slagen te geven, de leerprocessen efficiënter te laten verlopen én zorgt
ervoor dat de effecten van het syndroom op de omgeving tijdelijk afnemen.
Een speciale groep: Kinderen met een laag IQ en ADHD. De gedragsaanpak wordt door
de lage intelligentie bemoeilijkt. Maar ook bij deze groep zal de medicatie de hyperactiviteit
afremmen.
2.3.4 Adolescenten met ADHD: Indien de ADHD in de kindertijd niet of nauwelijks werd behandeld
én bij ernstige vormen van ADHD zien wij naast de kenmerken die wij bij de lagereschoolkinderen,
kleuters en peuters beschreven steeds meer ‘secondaire problemen’ het
syndroom besmetten: faalangst, negatief zelfbeeld, drug- en alchoholmisbruik, depressieve
gevoelens, afzetten tegen gezag, non-conformisme, ernstige leerproblemen. Op de duur
vormen deze kenmerken een syndroom op zichzelf en kunnen ze het oorspronkelijke
ADHD-syndroom camoufleren. Naast de klassieke ADHD –behandeling (zie hoger) zullen
ernstige gedragsmoeilijkheden niet met eenvoudige tips en trucs omgebogen worden maar
dringt een langdurige professionele aanpak zich op. In die gevallen kan het syndroom tot
ver in de volwassenheid het functioneren van een individu bepalen: relatiezwakte, moeilijk
een vaste job kunnen houden, partnerproblemen, roekeloos gedrag… In de volwassenenpsychiatrie
ziet men steeds vaker patiënten waarvan de aanmeldingsdiagnose zijn wortels
vindt in een ernstige ADHD in de kindertijd die toen al of niet met succes werd behandeld.
Behandeling: De klassieke behandelingsprincipes blijven van kracht. Het is belangrijk om
te beseffen dat ADHD een lang volgehouden inspanning vergt van de opvoeder. Veel langer
in vergelijking met syndroomvrije jongeren, is er hier behoefte aan monitoring (mee
helpen opsporen en besturen van gedrags- en leerfalen) en coaching (aanbrengen van
structuur en procedures vanaf de zijlijn). Indien deze zware klus volgehouden wordt tot op
de eindmeet leert de wetenschap ons dat vele kinderen (hoe vroeger de diagnose werd
gesteld, hoe zekerder deze stelling…) uitzicht hebben om als volwassene normaal te functioneren:
hebben van verantwoordelijkheidszin, in staat zijn om een partner- en vriendschapsrelaties
aan te gaan, in staat zijn zich te ontplooien in een job, in staat zijn een zinvolle
vrijetijdsplanning op te maken…
Bij kinderen die met medicatie behandeld worden werkt de medicatie voornamelijk tijdens
de uren op de schoolbanken. De leerkracht ziet het kind in die gevallen dus in een
betere condities dan de ouders, wat zijn/haar beeld over de prestaties en het gedrag
van deze leerling kan beïnvloeden.

2.4. Niet alles is negatief.
- Kinderen met ADHD zijn doorgaans een open boek, en kunnen hun ondeugendheden moeilijk
verbergen
- Kinderen met ADHD kunnen moeilijk liegen (een theaterman zij ooit eens: “om goed te kunnen
liegen met je de leugens lang kunnen onthouden…”)
- De extra energie bij vermoeidheid maakt dat ze een inspanning langer kunnen volhouden, of
op het laatst een ongeziene spurt inzetten zodat ze die boekbespreking toch nog kunnen
maken, de examenstof toch nog kunnen leren…
- Als ze er in slagen om de syndroomresten in hun persoonlijkheid te integreren kan de extra
energie een bonus worden…

3. RECENTE WETENSCHAPPELIJKE EVOLUTIES BEPALEN MEE DE AANPAK.

3.1 ADHD is een regulatiestoornis:
3.1.1 De stoornis wordt veroorzaakt omdat de huishouding van neurotransmitters (= hersenschakelaars)
ter hoogte van bepaalde hersenregelcentra ‘te traag’ verloopt; ADHD is dus een
‘traagheidssyndroom’. Bij de meeste zijn (op jonge leeftijd) noch de basisbouwstenen (aandachtscentra,
geheugencentra, intelligentie, motorische centra…) noch de motivatie en evaluatieniveaus
in de hersenen aangetast. Bij niet behandeling worden deze wel door het syndroom
bedreigd. Behandelen is dus een noodzaak.
3.1.2 ADHD veroorzaakt een tegengestelde reactie op stimulerende en kalmerende stoffen. Afjakkeren
en extra moe maken zullen dus geen soelaas brengen. Het extra rondje rond de
speelplaats zal de aandachtsregulatiestoornis eerder nadelig beïnvloeden!.

3.2 Prikkelarme omgeving?
Recent verklaren steeds meer wetenschappers dat het wegnemen van prikkels (bv. studeerkamer=
witte muren, zonder muziek, zonder versieringen) de aandacht nadelig beïnvloedt. De hersenen
worden er onrustig door en gaan voortdurend prikkels blijven zoeken. In plaats van de
prikkels weg te nemen zou het beter zijn om de bestaande prikkels te structuren: muziek kan, onder
voorwaarden; versieringen kunnen indien niet té druk; sommige kinderen functioneren beter
als ze achteraan in de klas zitten, van waaruit ze een beter overzicht hebben over de groep (in
plaats van vooraan te zitten en de ganse tijd zich te om te draaien om te zien wat achter hen gebeurt…)…

3.3 Kinderen met ADHD hebben een start en stop-probleem:
Ze komen er niet toe een taak aan te vatten. Maar, eenmaal begonnen is het moeilijk om af te
ronden.

3.4 Kinderen met ADHD hebben het moeilijk met wachten:
Bijvoorbeeld wachten totdat het muisstil is in de klas vooraleer de juf een verhaaltje begint te vertellen)
en hebben het moeilijk om te wachten op een beloning (motivatie om een examen te maken,
waarvan ze pas weken later punten krijgen).

3.5 Kinderen met ADHD hebben weinig innerlijke spraak en hebben een gebrekkige zelfsturing:
Door monitoring en coachen zal de opvoedende omgeving deze zelfsturing gedurende lange tijd
moeten overnemen. Een professionele zelfinstructietherapie oefent de innerlijke spraak en de
zelfsturing maar richt zich ook op de coaching en monitoringopdracht van de ouders! Eventjes de
beertjesmethode klassikaal voorstellen is voor deze doelgroep verre van voldoende!

3.6 Bij ernstige gevallen van ADHD worden:
De beste langetermijn-effecten van de behandeling worden geboekt in die gevallen waar een
combinatie van een brede informatierond (kind, ouders, brede omgeving), medicatie en gedragstherapeutische
technieken (gericht op kind en ouders) langdurig wordt volgehouden. Vaak is een
‘opfrissingstherapie’ nodig, waarmee bedoeld wordt dat ADHD een langdurig volgehouden inspanning
vergt.

3.7 De medicatie wordt als ondersteuning toegepast, zolang de normale pedagogische tecnieken
onvoldoende waarborgen geven voor de ontwikkeling van het kind en de effecten op de omgeving.

Deze medicatie hoeft niet beëindigd te worden in de pubertijd, op voorwaarde dat er voldoende
indicaties zijn die dit rechtvaardigen. Zelfs bij volwassenen met ADHD kan medicatie in een aantal
gevallen met succes worden voorgeschreven (bv. als de volwassene zich voorbereid op een
examen, bij ontwenningsproblematieken…). De aanbeveling blijft dat medicatie toediening minstens
eenmaal per jaar moet geëvalueerd worden. In weinig gevallen moet de medicatie op volwassen
leeftijd permanent blijven ingenomen wordt omdat het beroepsleven zelden een langdurige
en volgehouden aandacht vergt, in tegenstelling met een schoolse situatie.

3.8 Daarnaast blijven nog heel wat nadelige gevolgen overreind:
Leerproblemen, roekeloosheid, impulsiviteit, inslaap- en slaapproblemen (wordt vaker veroorzaakt
door het syndroom dan door de medicatie!), gedragsproblemen… De lijst is zeer lang!

4. EEN SYNDROOM MET GEVOLGEN VOOR ALLE PARTIJEN:

4.1 Voor het kind:
Zie hoger, maar het kind lijdt ook onder de opvoedings- en revalidatiedruk, stelt zich vragen rond
zijn syndroom, begint zichzelf als abnormaal te ervaren…

4.2 Voor de ouders:
Schuldgevoelens, onmacht, schaamte, opvoedingsonzekerheid, externe hulp is soms een hoge
drempel, extra tijdsdruk binnen het gezin, extra financiële onkosten, aanpassen van eigen geaardheid
aan het syndroom van je kind, partnerproblemen, zelfverwijten en twijfel…
“Ik had van mezelf nooit gedacht dat ik in staat was om zo te roepen, te brullen op mijn
kind. Ik wist niet dat ik zoveel agressie in mij had, ik herkende mezelf niet in de omgang met
mijn eigen kind. Dit ervaarde ik als erg confronterend… en, telkens slaagde hij erin die negatieve
energie bij mij los te maken”, vertelde een moeder ooit.

4.3 Voor de leerkracht:
Bedreiging, onmacht, onzekerheid omdat beproefde pedagogische technieken falen, schaamte,
zelfverwijten en twijfel,
De ouders hebben de observatie van de leerkracht hard nodig. Zo kan hij/zij opmerken dat
de medicatie geen 4 uur meer werkt, en moet aangepast worden. Het wijzen op het ontluiken
van secondaire kenmerken levert een belangrijke bijdrage aan een gunstige prognose
van de behandeling ervan

5. ADHD IS OOK EEN PROBLEEM VAN DE OVERHEID:

5.1 Er is een schrijnend tekort aan muldisciplinaire diagnose- en behandelingscentra, waardoor
misbruiken (zoals te lichtzinnig voorschrijven van medicatie) uitgelokt worden.

5.2 De overheid heeft een belangrijke taak in het vormen van alle professionelen inzake recente
wetenschappelijke evoluties:
- opleiding en nascholing van leerkrachten
- opleiding en nascholing van alle professionelen: artsen, psychologen, pedagogen, logopedisten,
kinesisten, ergotherapeuten, maatschappelijk werkers. Niet alleen voor hen die met kinderen
werken, maar ook diegenen die gericht zijn op (jong)volwassenen!

5.3 De CLB ‘s, maar ook alle andere professionelen, moeten voldoende middelen krijgen om hun
werking optimaal te ontplooien.

5.4 Er is een probleem met de terugbetalingbeperking van twee jaar voor revalidatie van kinderen
met leer- en ontwikkelingsproblemen.

5.5 Er moeten meer middelen voorzien worden voor thuisbegeleiding en actieve begeleiding van
leerkrachten en leerlingen in de klas.

5.6 De intentieverklaring van het Vlaams Parlement inzake kinderen met leerproblemen moet stelselmatig
in wetten en uitvoeringsbesluiten omgezet worden.

5.7 Er is een duidelijke regelgeving nodig voor revalidatie binnen de schooltijd voor kinderen die
door de extra druk overbelast worden.

5.8 Er is dringend behoefte aan een terugbetalingsregeling voor therapeutische sessies door niet
medici en paramedici, op voorwaarde dat deze therapeut voldoende gevormd is.

5.9 Er is dringend behoefte aan meer therapeuten ‘zelfinstructie’, en de terugbetaling ervan.

5.10 Nieuwe medicatievormen en toedieningsvormen moeten sneller op de Belgische markt gebracht
worden.

5.11 Vele deelfacetten in verband met leer- en ontwikkelingsstoornissen worden in België beheerd
door verschillende bestuurlijke niveaus. Een goede coördinatie hiervan is hoogdringend en onontbeerlijk.
ADHD bedekt als een sluier de eigenschappen, vaardigheden en persoonlijkheid van een kind.
Het komt er als opvoeder om met veel geduld en een positieve ingesteldheid met dit kind om
te gaan. Enkel op die wijze leer je de werkelijke en positieve kanten van dit kind zien, en
krijgt het de kansen die het verdiend.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License