de Séjournet de Rameignies Julie

Artikel 1

Artikel overgenomen uit: Brabants Dagblad, 07-11-2001

Op zoek naar woordblindheid in de wieg
Door Paul Houkes

Dyslexie wordt meestal pas laat vastgesteld. Drie universiteiten zoeken naar een manier om 'woordblindheid' al bij jonge baby's te kunnen bepalen.
Vijf tot tien procent van alle Nederlanders heeft last van dyslexie. Ze hebben moeite met lezen en schrijven, omdat ze de combinatie van klanken of letters meestal niet als een compleet woord weten te herkennen. Leren lezen is dan een hele toer, omdat het hun niet lukt om dat zoals niet-dyslectische mensen doen 'op de automatische piloot' te doen. Dyslexie, of in de volksmond 'woordblindheid', kan niet worden genezen. Wel zijn er trainingsprogramma's, die goed kunnen helpen bij het lees- en schrijfonderwijs. Eigenlijk zou je met zo'n training zo vroeg mogelijk moeten beginnen om het meeste effect te hebben, maar dat lukt doorgaans niet omdat meestal pas halverwege de basisschool wordt vastgesteld dat het kind last van de afwijking heeft. Meestal is er op dat moment al een grote achterstand ontstaan in het leren lezen en schrijven. Om te zien of het mogelijk is om al op heel jonge leeftijd vast te stellen of een kind leesblind is, werken drie Nederlandse universiteiten samen. In dit onderzoek worden baby's vanaf enkele maanden oud tien jaar lang gevolgd. Daarbij wordt op vaste tijdstippen de hersenactiviteit van de baby's gemeten, om te zien of in die hersenfunctie afwijkingen kunnen worden waargenomen.
Prof. dr. Frans Zwarts, taalwetenschapper, voorzitter van de Nationale Stuurgroep Dyslexie en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Groningen: "Het zou fantastisch zijn als we al bij een baby zouden kunnen vaststellen of die dyslectisch is of niet, want een interventie op jonge leeftijd is het meest effectief. Dat heeft te maken met de manier waarop de hersenen zich ontwikkelen. De plasticiteit van het brein is op jonge leeftijd veel groter. Dan kun je nog een heleboel nieuwe dingen aanleren. Kijk bijvoorbeeld naar het leren van een tweede taal; dat gaat bij jonge kinderen ook veel gemakkelijker dan bij een kind in de puberteit. Om dezelfde reden neemt de effectiviteit van training bij dyslexie af naarmate het kind ouder wordt". De speciale trainingen die voor dyslectische kinderen zijn ontwikkeld, beginnen nu meestal pas als een kind tussen de zes en negen jaar oud is en in sommige gevallen nog later. In die periode blijkt immers pas, vooral tijdens het taalonderwijs op school, dat er sprake is van een probleem. De achterstand bij het lezen en schrijven die dan inmiddels op school is opgelopen, had voorkomen kunnen worden als eerder bekend was geweest dat het kind extra begeleiding nodig had.
Het ultieme doel van het Nationaal Dyslexie Project is dan ook het ontwikkelen van een andere leermethode, waarmee zo vroeg mogelijk kan worden begonnen. Maar dan is er wél een voor 99 procent betrouwbare indicator nodig waarmee kan worden vastgesteld dat een kind inderdaad dyslectisch is. Die betrouwbare indicator hopen de onderzoekers met het Nationaal Dyslexie Project te vinden, zegt professor Zwarts. De hoogleraar, die met ingang van september volgend jaar benoemd is tot rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen, heeft grote verwachtingen van het onderzoek. De langjarige studie wordt uitgevoerd door de Rijksuniversiteit in Groningen, de Katholieke Universiteit in Nijmegen en de Universiteit van Amsterdam. Het onderzoek richt zich op zogenoemde risicokinderen; kinderen uit families waarin dyslexie vaker voorkomt.

Onderzoek
Tijdens het onderzoek wordt het kind op gezette tijden getest. De baby's krijgen een kapje op het hoofd met elektroden, die registreren welke hersengebieden actief zijn en welke veranderingen daar optreden. Vervolgens krijgt het kind auditieve en visuele stimuli toegediend en wordt gekeken hoe de hersenen daarop reageren. De auditieve test duurt drie kwartier, in welke periode een vrouwenstem onafgebroken 'bak, bak, bak, bak…' zegt. Op onverwachte momenten klinkt er geen 'bak', maar 'dak'. Zo'n afwijking van het patroon levert een specifieke hersenactiviteit op, als in de klanken waaraan het brein gewend is geraakt plotseling een deviant optreedt. De onderzoekers willen weten of deze reactie op zo'n afwijkend woord bij dyslectische kinderen anders is dan bij de controlegroep van niet-risicokinderen. Ook bij het visuele onderzoek wordt gebruik gemaakt van een plotselinge afwijking in een patroon. Bij deze test krijgt het kind op een scherm bewegende bolletjes te zien, zogeheten moving dots, die een vaste route volgen. Plotseling echter komt een van die dots uit een andere hoek. Ook in dit geval zou door metingen van de hersenactiviteit bepaald kunnen worden dat die afwijking door het kind is waargenomen. Het onderzoeksprogramma is nog maar anderhalf jaar op gang, maar nu al vinden de wetenschappers aanwijzingen die er op duiden dat dyslectische kinderen anders reageren dan gewone kinderen. Werkelijke conclusies kunnen echter pas over een aantal jaren getrokken worden, wanneer de baby's die nu worden getest op de basisschool zitten en blijkt dat zij inderdaad lees- en schrijfproblemen hebben.
Brein
Wat precies de oorzaak is van dyslexie, daar is de wetenschap het niet helemaal over eens. Er doen meerdere wetenschappelijke veronderstellingen de ronde. Een van de meest invloedrijke theorieën gaat er vanuit dat er sprake is van een temporeel probleem. De dyslecticus kan niet omgaan met processen die zeer snelle reacties vergen van het taalcentrum in de hersenen. In een duizendste van een seconde moet het brein aan de hand van de visuele informatie bepalen welke letters samen een woord of een klankbeeld vormen. Die snelle schakeling komt bij mensen met dyslexie niet of onvoldoende tot stand. In het onderzoeksprogramma in Groningen, Nijmegen en Amsterdam worden tot nu toe 170 risicobaby's in de leeftijd van 4 tot 24 maanden gevolgd. Daarnaast is er een controlegroep van negentig baby's die niet in de risicocategorie vallen. De bedoeling is dat dit aantal in de komende tijd nog wordt uitgebreid. De onderzoekers willen in het totaal 225 risicokinderen gedurende tien jaar volgen. http://dyslexie.let.rug.nl


Artikel 2

Artikel overgenomen uit: Het Parool, 05-11-2001
Onderzoek naar dyslexie bij kleuters

AMSTERDAM - De Universiteit van Amsterdam verricht een onderzoek naar dyslexie bij vijfjarigen. Alle Amsterdamse basisscholen is gevraagd mee te doen. Ook logopediepraktijken zijn benaderd om medewerking te krijgen. Het onderzoek maakt deel uit van een groot opgezet landelijk dyslexieprogramma van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek.

Het onderzoek is in september van start gegaan. Het is erop gericht bij kinderen van vijf jaar het risico van het ontstaan van dyslexie te kunnen vaststellen. Er komt een langlopend onderzoek naar de neurobiologische mechanismen achter het ontstaan van de afwijking. Ook komen er een zogenoemd baby-onderzoek en een genetisch onderzoek.
Mensen met dyslexie hebben grote moeite klanken en tekens aan elkaar te koppelen. Dyslexie is voor een groot deel erfelijk bepaald. Uit onderzoek blijkt dat kinderen er grotere kans op hebben als zij een ouder hebben met lees- en spellingsproblemen. Al op jonge leeftijd ontstaan achterstanden, maar deze worden vaak pas ontdekt als de kinderen een tijd op school zitten en daar dan vastlopen met lezen en spellen.
Met dit onderzoek wil men trachten de dyslexie in een eerder stadium op te sporen. Zo kunnen in de toekomst misschien kinderen al op kleuterleeftijd extra worden begeleid om leesproblemen te voorkomen of te verminderen.
De Universiteit van Amsterdam gebruikt voor dit onderzoek, dat onder leiding staat van prof. dr. D. van der Leij, kinderen uit groep 2 met een ouder met ernstige lees- of spellingsproblemen. Ze worden gedurende enkele jaren in hun ontwikkeling gevolgd. Terwijl zij eenvoudige tests uitvoeren, wordt de hersenactiviteit met de EEG-methode worden gemeten.
De universiteit is nog op zoek naar nieuwe kinderen, omdat zij nog niet genoeg onderzoekspersonen heeft.


Artikel 3

Artikel overgenomen uit: NRC Handelsblad, 21-08-2001
Eenvoudig audiovisueel spelletje goed voor dyslectici

ROTTERDAM, 21 AUG. Het spelen van een simpel audiovisueel spelletje leidt al tot een duidelijke verbetering in de leesprestaties van zevenjarige dyslectici. Dit melden Finse wetenschappers in het tijdschrift Proceedings of the American Academy of Sciences van 28 augustus.
Het gaat om een door de Finnen ontworpen spelletje waarbij de kinderen eenvoudige patronen van tonen (wisselend in toonhoogte, duur en intensiteit) moeten verbinden met grafische weergaven van die patronen (bijvoorbeeld stijgende blokjes bij een stijgende toonreeks). Volgens de BBC willen de onderzoekers het spelletje op de markt brengen.
De precieze oorzaak van dyslexie is nog altijd niet bekend, maar een dominante theorie is dat de oorzaak moet worden gezocht in de problemen met de verwerking van elkaar snel opvolgende geluiden. Omdat in hun spelletje de opvolgsnelheid van de tonen vrij laag is, menen de onderzoekers dat de oorzaak van dyslexie ‘dieper’ moet liggen, mogelijk in de wijze waarop geluiden worden opgeslagen in de hersenschors.
Een belangrijk verschil met andere oefenprogramma's voor dyslectici is het ontbreken van talige elementen. Volgens de onderzoekers stimuleert dit de motivatie en het concentratievermogen van de kinderen. Ook de eenvoud van het programma zou positief kunnen werken.
Vierentwintig dyslectische kinderen die gedurende zeven weken twee keer tien minuten het spelletje speelden konden daarna in een leestest meer woorden correct oplezen dan daarvoor, vergelijkbaar met niet-dyslectische kinderen (van een lijst van 30 woorden stegen de geteste kinderen van gemiddeld ruim 23 woorden naar ruim 29 woorden). Opmerkelijk is overigens wel dat de controlegroep van 24 andere dyslectische kinderen, die niet het spelletje speelden maar wel getest werden, in het onderzoek óók flink vooruit gingen in het aantal correct gelezen woorden (van gemiddeld ruim 23 naar bijna 27 woorden).
De verklaring voor dit placebo-achtige effect geven de onderzoekers niet, maar bekend is dat veel problemen van dyslectici mede voortkomen uit frustratie en onzekerheid. Mogelijk heeft de vriendelijke aandacht van de onderzoekers een positief effect gehad. Ook kan een trainingseffect van de leestesten een rol spelen.
Op allerlei andere maten voor dyslexie (zoals snelheid van lezen, spelling) scoorden de kinderen na het spelletje overigens niet significant beter dan de controlegroep.


Artikel 4

Artikel overgenomen uit: NRC Handelsblad, 27-06-2001
Rekenzwakte' als nieuwe modekwaal

Bijna 400.000 Nederlanders kunnen helemaal niet rekenen. Deskundigen zijn voorzichtig: straks is dyscalculie, na dyslexie, de nieuwste modekwaal
ROTTERDAM, 27 JUNI. Een op de vijf Nederlanders is rekenzwak, ze hebben moeite met rekenen, maar kunnen zich met een hoop discipline en ezelsbruggetjes redden bij de kassa in de supermarkt. Voor ongeveer 2,5 procent van de Nederlanders is rekenen een ramp. Zij hebben dyscalculie. Zij hebben, zegt professor Adri Treffers, geen wiskundeknobbel maar een gat. Treffers werkt op het Freudenthalinstituut van de Universiteit Utrecht, het belangrijkste onderzoeksinstituut voor het rekenonderwijs.
Hoogleraar orthopedagogiek Wied Ruijssenaars van de Leidse universiteit noemt het ‘een blinde vlek’. 'Het zijn mensen met een normale intelligentie, die verder goed kunnen leren. Laatst sprak ik een geslaagde zakenman, we praten wat over subsidies, ik noem een bedrag van twaalfduizend gulden. Blijft het heel lang stil. Hij vraagt: met hoeveel nullen schrijf je dat?'
Als je Treffers vraagt wat dyscalculie is, zegt hij eerst dat het 'een genuanceerde kwestie' is. Dat er geen eenvoudige definitie is, dat de grens tussen rekenzwak en dyscalculie vaag is. 'Er is iets mis in de hersenen, maar waar het in zit of hoe het zich uit is voor ons ook nog onduidelijk.'
Treffers is zo voorzichtig omdat hij bang is dat dyscalculie de nieuwste modekwaal wordt, na dyslexie en de concentratiestoornis ADHD. 'Straks gaan ouders massaal hun rekenzwakke kinderen laten testen bij commerciële bureaus.' En je zult zien, vreest hij, straks heeft iedereen het. 'Net zoals er in bepaalde delen van het land bureaus zijn die opvallend veel verklaringen van dyslexie afgeven. En met die verklaring dwingen ouders allerlei vrijstellingen op school af.'
Een aantal ouders van kinderen met dyscalculie vroeg vorig jaar staatssecretaris Adelmund (Onderwijs) om hulp. Hun kinderen, schreven zij, haalden zulke slechte cijfers voor wiskunde, dat ze het eindexamen nooit zouden kunnen halen. Wiskunde is een verplicht eindexamenvak op havo en vwo. Of de staatssecretaris hun kinderen geen vrijstelling kon geven voor wiskunde.
Marion Jurrjens, de moeder van Verika Bentley (15), was een van de schrijvers. Verika zit in de derde klas havo van scholengemeenschap Angelus Merula in Spijkenisse. Voor alle vakken heeft ze goede cijfers, alleen wiskunde is een ramp. Met extra lessen en veel oefenen haalt ze nauwelijk hoger dan een vier. Haar moeder heeft zelf ook dyscalculie, zegt ze. „Ik heb een IQ van 133, dus daar ligt het niet aan. Mijn vader had het ook, die moest wiskunde doen, omdat hij medicijnen wilde studeren. Ik kon naar de middelbare meisjesschool en wiskunde laten vallen.”
Marion Jurrjens heeft staatssecretaris Adelmund en de school gevraagd of haar dochter wiskunde mag laten vallen als ze in plaats daarvan een extra taal, Duits bijvoorbeeld, volgt.
Deze maand gaf Adelmund de ouders antwoord. In haar brief aan de Kamer schrijft ze dat kinderen met dyscalculie geen vrijstelling voor wiskunde krijgen.
Professor Treffers vindt dat je leerlingen wel vrijstelling moet geven. 'Maar je moet geen bureaucratische oplossingen zoeken of het in een wet regelen. Dan wordt dyscalculie witte-jassenwerk. Een goede wiskundeleraar haalt de kinderen zonder rekenaanleg er zo tussenuit, kinderen die in andere vakken goed presteren, en die voor wiskunde wel hard hun best doen. Zij kunnen in overleg met de school en de inspectie oplossingen zoeken voor die kinderen.'
Niet iedereen met dyscalculie, zegt Treffers, heeft dezelfde problemen. Treffers onderzocht kinderen die grote moeite hebben met cijfersymbolen, die niet begrijpen dat het cijfer 7 zeven betekent en die het niet voor elkaar krijgen getallen naar grootte te ordenenen. Ze weten niet dat 42 meer is dan 35, ook niet na langdurig oefenen.
Andere kinderen kennen wel de cijfers en kunnen ook rekenen, maar kunnen niet subitisen. 'Je gooit vier muntjes op een tafel. Normaal kunnen mensen, en zelfs dieren, hoeveelheden onder de vijf waarnemen. Je ziet subiet dat het 3 muntjes zijn of twee. Iemand met dyscalculie moet de muntjes een voor een tellen om te weten hoeveel het er zijn.
Er zijn ook kinderen die eenvoudige rekenkundige handelingen, zoals optellen en aftrekken, niet kunnen onthouden. Een zevenjarige hoort op een gegeven moment te wéten dat 3 plus 3 zes is. ,Als het kind daarvoor nog steeds zijn vingers nodig heeft, weet je dat er iets mis is. Bij 30 plus 30 krijgen ze grote problemen.'Bij die kinderen is de rekenkennis, zoals dat heet, niet geautomatiseerd. 'Er zijn volwassen die hun leven lang de tafel van 7 moeten uitrekenen.'
Zelf was Treffers tien jaar wiskundeleraar op een middelbare school. 'Ik had een jongen in de klas die verschrikkelijk zijn best deed, maar zijn proefwerken bar en boos maakte. Ik gaf hem standaard een zes. De havo rolde hij verder makkelijk door. Vlak voor zijn eindexamen wiskunde zei ik: 'Dat haal je makkelijk, je hebt toch altijd zessen gehaald. Hij scoorde een acht. Ik had hem vertrouwen gegeven. Jaren later kwam ik hem tegen, hij herkende me aan mijn houtje-touwtjejas. Toen pas heb ik hem verteld dat ik jarenlang verkeerde cijfers heb gegeven.'
Professor Ruijssenaars is het wel met staatssecretaris Adelmund eens: vrijstelling gaat te ver. Maar hij vindt wel dat scholen kinderen met dyscalculie tegemoet moeten komen, net als met dyslexie en ADHD. 'Geef ze wat meer tijd, doe proefwerken voor mijn part mondeling, en geef ze op het examen een lijstje met formules en een rekenmachine. Bij rij-examens zeg je toch ook niet: die bril moet af, de anderen doen het ook zonder.'
'We kunnen niet eindeloos uitzonderingen blijven maken,' zegt de woordvoerder van het ministerie van Onderwijs. De onderwijsambtenaren raadpleegden niet de Nederlandse deskundigen, maar een Amerikaans standaardwerk over leerstoornissen. En daar staat in dat ‘mathematics disorder’ nooit een op zichzelf staand gebrek is, maar 'veelal gepaard gaat met andere leerstoornissen'. En dus blijft Adelmund bij haar 'redelijk ferme standpunt', zegt de woordvoerder: kinderen die havo of vwo willen doen, kunnen kiezen voor het eindexamenprofiel ‘cultuur en maatschappij’, daar zit de simpelste wiskunde in. En als zelfs dat een probleem is, zegt Adelmund, zal de leerling toch een ander schooltype moeten kiezen.
Voor Verika Bentley zou dat betekenen dat ze naar de mavo moet. Ze wil graag stewardess worden of sociaal werker en daarvoor heeft ze minimaal havo nodig. Haar moeder is woedend. 'Mijn zoon heeft dyslexie en hij krijgt wel extra begeleiding, hij mag een taal laten vallen. Het is unfair en discriminerend dat mijn dochter niet dezelfde aanpassingen krijgt.'


Artikel 5

Artikel overgenomen uit: Brabants Dagblad, 20-06-2001
Dyslexie, een onzichtbare handicap
**Door Marie-Catrien van Deijck **
Bijna één op de tien Nederlanders heeft last van dyslexie. Dit is geen leesblindheid, maar een leerstoornis die problemen geeft bij de spelling en het ontsleutelen van woorden.

"Veel leraren op school noemen me leesblind en denken dat ik woordjes door elkaar zie staan. In bergjes of zo. Maar zo is het helemaal niet. Ik zie woorden gewoon zoals ze er staan; niet in groepjes of bergjes. Wel duurt het bij mij langer voor ik ze herken." Lone Vonk (15) is dyslectisch. Ze moet lang nadenken voor ze weet hoe ze iets moet schrijven. Engelse of Franse woordjes leren is voor haar een ramp. Ze ziet ze wel, maar haalt ze door elkaar of schrijft de woordjes op zoals ze ze hoort. Toch zit Lone in de derde klas van de MAVO en heeft ze nog nooit een klas over hoeven doen. Haar dyslexie is al in de kleuterklas ontdekt. Omdat ze sindsdien wekelijks begeleiding krijgt van een orthopedagoge, kan Lone op leergebied haar leeftijdgenoten redelijk goed bijhouden. De Stichting Ideële Reclame (SIRE) voert momenteel de landelijke campagne 'Dyslexie vraagt even aandacht'. Doel van deze campagne is meer begrip te kweken voor mensen met dyslexie. Via de dagbladen en op radio en televisie wordt duidelijk gemaakt dat dit niets te maken heeft met blindheid of domheid. Volgens orthopedagoge-orthodidacticus Cocky Roks-Maris zijn dyslectici vaak gemiddeld of zelfs bovengemiddeld intelligent. "Toch vinden mensen het over het algemeen moeilijk om ermee naar buiten te komen. Het is natuurlijk ook heel vervelend als je op je werk of op school een brief moet schrijven en deze staat vol spellingfouten. Het vlot herkennen en benoemen van klanken en letters is voor dyslectici een probleem. De letters roepen bij hen niet automatisch klanken op." "Ook in het dagelijks leven stuiten ze op moeilijkheden. Zo hebben dyslectici moeite met het aanbrengen van structuur in bijvoorbeeld hun dagritme en werkaanpak. Dyslexie is iets waarmee je wordt geboren en er zit een grote erfelijke factor bij.

Achterblijven
Roks-Maris is gespecialiseerd in leerstoornissen en ziet in haar orthopedagogische praktijk in Middelrode veel kinderen met dyslexie, onder wie Lone Vonk. "Meestal wordt dyslexie ontdekt nadat het leesproces in groep 3 is begonnen. Tussen Kerstmis en Pasen blijkt altijd dat er kinderen achterblijven. Ze hebben moeite de letters te onthouden of blijven woorden hardnekkig klank voor klank ontsleutelen. Vaak herkennen ze een zelfde woord in een volgende regel niet en beginnen dan opnieuw te spellen. Voor die kinderen is dat heel teleurstellend: ze hebben zin om te leren lezen, iedereen legt daar ook de nadruk op en als dat dan niet goed gaat, is dat heel sneu". "Daarom bekijken we hoe we in de kleutergroepen al preventief kunnen werken", aldus Roks-Maris. "We proberen risicokinderen in beeld te krijgen. Peuters maken vaak een eigen taaltje en zeggen bijvoorbeeld Debra in plaats van Breda. Dat is grappig, maar op een gegeven moment moet dat over zijn. Ze moeten de klanken op de juiste plaats in het woord vast kunnen houden." Dat is volgens de orthopedagoge voor dyslectici een van de belangrijkste problemen. "Als wij een woord zien staan, verklanken we dat in één keer. We weten meteen hoe het klinkt. Dyslectische kinderen moeten dat stukje voor stukje doen. Bovendien hebben ze vaak moeite met het vasthouden van de volgorde van de klanken in een woord. Als er staart staat, lezen ze straat. Ze kunnen de letters zelf niet onthouden en moeten meer moeite doen om ze op te roepen. Voordat ze zover zijn, zijn de andere kinderen al drie stappen verder."

Tranen
Roks-Maris ziet dagelijks de frustraties waar kinderen met dyslexie mee te kampen hebben. "Het is een onzichtbare handicap. Je ziet niets aan het kind, terwijl het gigantisch veel problemen heeft. Veel kinderen hebben al moeite met het onthouden van de dagen van de week, de maanden van het jaar, de namen van klasgenootjes en het leren van de tafels. Dit zijn namelijk stuk voor stuk vaardigheden die geautomatiseerd moeten worden. Dyslexie brengt ook op emotioneel gebied veel problemen met zich mee. Ik maak in mijn praktijk mee dat kinderen echt in tranen zijn. Het zijn enorme knokkers. Ze oefenen hard en doen enorm hun best, maar blijven toch achter bij leeftijdgenootjes. Daar wordt een kind onzeker van, kan het last krijgen van faalangst en uiteindelijk een negatief zelfbeeld ontwikkelen." De orthopedagoge benadrukt dat het van groot belang is dat er op de juiste manier met dyslexie wordt omgegaan. Daarvoor is volgens haar allereerst een goede diagnose nodig, zodat een kind van zowel de school als de ouders de noodzakelijke begeleiding krijgt. "Het is heel belangrijk dat dit gebeurt in die driehoek van kind, ouders en school. Ik noem dat een dynamische driehoek, waarin je elkaars bondgenoot bent. Pas wanneer dyslectische kinderen erkenning krijgen voor hun problemen en de ouders en de school weten wat er aan de hand is, kunnen ze goed geholpen worden en weer succeservaringen opdoen."
Computer
Lone Vonk heeft bij het leren van woordjes veel baat van de computer: "Ik kan de woordjes nu intikken en dan leer ik ze veel sneller. Ik zie meteen hoeveel puntjes, dus hoeveel letters het zijn. Woordjes waar ik eerst drie uur voor nodig had, leer ik nu in een half uurtje. Maar ik zie ze nooit vóór me. Ik kan ze niet in gedachten oproepen op het moment dat ik ze nodig heb. Verder kan ik alles wat een ander kan. Ik doe er alleen wat langer over."

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License