Epilepsie

1. DE HERSENEN

1.1. Bouw van de hersenen

De hersenen bestaan uit enkele heel belangrijke delen. Het grootste deel ervan wordt ingenomen door de grote hersenen. Deze bestaan uit twee hemisferen (helften), die elk bestaan uit een aantal kwabben. Onder de grote hersenen kan je de kleine hersenen terugvinden en tussen de grote en kleine hersenen bevindt zich de hersenstam. De hersenstam verbindt de verschillende hersendelen en gaat via het verlengde merg over in het ruggenmerg.

Je kan bij de hersenen duidelijk twee lagen onderscheiden, door de zeer duidelijke kleurverschillen. De buitenkant van de grote en de kleine hersenen bestaat uit grijze stof, de hersenschors. In deze grijze stof zitten miljarden hersencellen, daarom dat de hersenschors zo’n grijze kleur heeft. Eronder bevindt zich de witte stof. Die bestaat vooral uit verbindingsvezels met myeline (isolatiestof). Deze isolatiestof bestaat uit cellen die veel vettige stoffen bevatten en er daardoor wit uitzien. Er lopen verbindingsvezels door de hersenstam en het verlengde merg naar het ruggenmerg om opdrachten naar de rest van het lichaam te zenden en om informatie te ontvangen.
Een belangrijk deel van de informatie van buitenaf komt de hersenen binnen via de hersenzenuwen vanuit de zintuigen in het hoofd. Tot de hersenzenuwen behoren onder andere de reukzenuw, de oogzenuw en de gehoorzenuw. Via het ruggenmerg komt de informatie binnen vanuit de rest van het lichaam.

1.2. Werking van de hersenen

De hersenen bestaan uit een weefselmassa die ons hele lichaam bestuurt. In de hersenen worden signalen doorgegeven, een soort elektrische stroompjes. De cellen die zorgen voor deze elektrische stroompjes noemt men neuronen. De elektrische activiteit tussen deze neuronen verloopt normaal zeer ordelijk. Indien deze orde verstoord wordt, kan dit een epileptische aanval tot gevolg hebben. Het soort aanval kan verschillend zijn en hangt af van waar in de hersenen de aanval zich precies ontwikkeld heeft.

Onze hersenen bestaan uit een enorm netwerk van verbindingen tussen de cellen. Neuronen hebben één axon (grote uitloper) en vele dendrieten (kleine uitlopers). De axon is zeer lang, terwijl de dendrieten veel korter zijn. De plek waar de uitloper van de ene zenuwcel naar de andere loopt en de andere zenuwcel raakt, noemt men de synaps. Elke zenuwcel heeft uitlopers en elke uitloper is bezet met synapsen.

Informatie wordt in onze hersenen overgebracht van de ene zenuw naar de ander met behulp van neurotransmitters (zenuwoverbrengers), die de informatie achterlaten in de synaps van de zenuwcellen. In het zendende zenuwuiteinde bevinden zich kleine blaasjes, met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitter. Als er een zenuwimpuls door de zenuw loopt en aan het einde van die zenuw komt, springen die blaasjes open en komen deze neurotransmitters via het einde van de zenuw in de synaptische spleet terecht. Op de andere zenuw bevinden zich receptoren (ontvangers). Deze ontvangen de neurotransmitters via de synaps en zij zorgen ervoor dat de reactie wordt uitgevoerd. Receptoren werken volgens het sleutel-slot-systeem, dit wil zeggen dat er slechts één stof per receptor bestaat.

Als een zenuwcel veel stimulerende prikkels ontvangt en weinig remmende signalen, gaat deze ontladen. De elektrische spanning die het celoppervlak bevat gaat dan van negatief naar positief. Dit wordt heel snel verspreid over de hele zenuwcel en al zijn uitlopers en herstelt zich ook weer heel snel. Door deze elektrische ontlading worden de neurotransmitters uit de synaptische spleten gestoten. Voor elke zenuwcel is er één neurotransmitter. Sommige zenuwcellen bevorderen dus andere, maar er zijn ook zenuwcellen die de andere remmen om te ontladen. Als dit ingewikkelde proces en evenwicht verstoord wordt, kan dit leiden tot epilepsie.

2. Epilepsie

2.1. Wat is het?

Epilepsie is een ziekte waarbij je aanvallen krijgt die veroorzaakt worden in de hersenen. Men noemt epilepsie ook wel de vallende ziekte, omdat patiënten met epilepsie vaak neervallen en geen controle meer hebben over hun lichaam. Dit is echter niet altijd zo, want deze ziekte kan in vele graden voorkomen. Het is wel zo dat de aanvallen bij eenzelfde persoon altijd dezelfde zijn. Zo zijn er personen die altijd stoornissen krijgen in één lidmaat, anderen die gewoon een tijdje "afwezig" zijn, terwijl nog anderen schokkend op de grond vallen.

2.2. Hoe ontstaat het?

Epilepsie kan aangeboren zijn of je kan het later krijgen. Soms is er een symptomatische (aantoonbare) oorzaak, maar er zijn er velen bij wie men niet precies te weten komt waarom de patiënt aan epilepsie lijdt.

Verworven epilepsie, epilepsie die dus niet aangeboren is, kan ontstaan na hersenbeschadiging, onder andere na een geboorteletsel, een ernstige hersenschudding of als gevolg van doorbloedingsstoornissen (bij iemand die een beroerte heeft gehad). Andere mogelijke oorzaken voor epilepsie, kunnen prikkeling door een hersentumor of door een hersenontsteking zijn, maar ook een genetische afwijking kan mogelijk epilepsie tot gevolg hebben.

Voorlopig weet men nog steeds niet wat de precieze oorzaak van epilepsie zou kunnen zijn, maar wetenschappelijk onderzoek vermoedt dat epilepsie ontstaat door een verstoring in de verhouding van inhibitoire (remmende) zenuwcellen (voornamelijk GABA) en excitatoire (stimulerende) zenuwcellen (voornamelijk glutamaat). Deze verstoring ontstaat tijdens de ontwikkeling van de hersenen na de geboorte. Er zijn typen zenuwcellen die hun vorm aannemen onder invloed van de stof BDNF, volluit Brain-derived Neurothrophic Factor. Hoe meer BDNF iemand bezit, hoe meer inhibitoire zenuwcellen gevormd worden, waardoor er dus veel meer remmende dan stimulerende zenuwcellen ontstaan en die een soort kortsluiting veroorzaken in de hersenen, bij het ontladen.

2.2.1. GABA (Gamma-aminoboterzuur)

GABA is de belangrijkste inhiberende (remmende) neurotransmitter van ons lichaam, het komt zeer veel voor in de hersenen, vooral in de grijze stof (de hersenschors). Ook in de rest van het lichaam kan je deze stof terugvinden, maar dan wel in veel kleinere hoeveelheden. Het wordt in het lichaam gevormd uit glutaminezuur door decarboxylering (afsplitsing van een molecuul) onder invloed van het enzym glutamaatdecarboxylase (GAD).

De werking van GABA kan verlagen indien men een tekort heeft aan vitamine B1, of als men bezig is met het afkicken een alcoholverslaving. Als er een vermindering van GABA in de hersenen is, kan dit zich uitdrukken in angst, geïrriteerdheid, slapeloosheid of epileptische aanvallen.

GABA-antagonisten (stoffen die de remmende werking van GABA versterken) worden vaak als anti-epilepticum gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn benzodiapezines en barbituraten (worden verder nog besproken in mijn onderdeel over anti-epileptica). Deze zorgen ervoor dat de zenuwactiviteit veel lager wordt in het centrale zenuwstelsel, en dit brengt jammer genoeg wel enkele vervelende neveneffecten met zich mee zoals slaperigheid, stuurloosheid, vergeetachtigheid en concentratieproblemen.

2.2.2. Glutamaat

Glutamaat is net het omgekeerde van gamma-aminoboterzuur, en is een stof die in ons lichaam exciterend (stimulerend) werkt op andere zenuwcellen. Glutamaat is de zuurrest van een negatief ion en is net als GABA één van de belangrijkste neurotransmitters in onze hersenen en is ook vooral aanwezig in de grijze stof of hersenschors.

Men veronderstelt dat het het onevenwicht tussen gamma-aminoboterzuur en glutamaat is, dat epileptische aanvallen veroorzaakt.

2.3. Soorten aanvallen

2.3.1. Partiële aanvallen

Een stoornis of aanval die zich voordoet in een bepaald deel (of part) van de hersenen, noemt men een partiële aanval. De verschijnselen zijn erg afhankelijk van waar precies de persoon een partiële aanval krijgt. Bij de ene aanval kan de patiënt bij bewustzijn blijven, terwijl hij bij een andere aanval zijn bewustzijn kan verliezen.

Eenvoudige partiële aanvallen * Patiënt blijft bij bewustzijn en beseft dat hij een aanval heeft

  • Kan enkele seconden tot minuten duren
  • De aanval wordt vaak niet opgemerkt door de omgeving, omdat hij zo licht is
  • Verschijnselen: misselijk gevoel, vreemde geur waarnemen, rare smaak krijgen, tintelingen in handen/armen/benen/voeten, trekkingen om de mond, iets horen of zien dat anderen niet opmerken, ongecontroleerde arm- en beenbewegingen

Reacties die bij partiële aanvallen worden beïnvloed, indien de persoon in dat deel van de hersenen een aanval of stoornis krijgt.

Complexe partiële aanvallen

  • Het bewustzijn wordt volledig of voor een deel verstoord
  • Aan deze aanvallen gaat vaak een aura vooraf (dit is een plaatselijk begin van een aanval, waarbij de betrokkene een vreemd gevoel in zijn maag krijgt, of vreemde dingen ruikt of ziet, dit duurt slechts enkele seconden)
  • Daarna komt er een bewustzijnsstoornis die één tot enkele minuten duurt
  • Verschijnselen: wriemelen, plukken, kauw- of smakbewegingen, rondlopen, geen reacties op pijnprikkels, starende blik, geen herkenning van anderen, bleke gelaatskleur, grote pupillen, speekselvloed
  • Sommige personen weten na de aanval niet meer waar ze zijn, hebben hoofdpijn en voelen zich vermoeid, terwijl anderen helemaal geen last hebben

2.3.2. Gegeneraliseerde aanvallen

Een stoornis die zich voordoet in beide hemisferen (hersenhelften), noemt men een gegeneraliseerde aanval. Hierbij is er altijd een stoornis van het bewustzijn. Mensen die dit overkomt, herinneren zich niets meer van de aanval en weten niet wat er tijdens de aanval gebeurd is.

Absences

  • Bewustzijnsstoornis van enkele seconden tot een minuut
  • Komt het meeste voor bij kinderen
  • Verschijnselen: voor zich uitstaren, geen reactie, knipperen met ogen, lichte spierschokjes, concentratiestoornissen
  • Persoon kan gewoon fietsen of wandelen tijdens deze aanval, wat erg gevaarlijke situaties kan opleveren omdat hij niet echt bij bewustzijn is

Myoclonische aanvallen

  • Enkelvoudige of in reeksen voorkomende spierschokken in armen en/of benen
  • Kortdurende bewustzijnsstoornis

Atonische aanvallen

  • Verslapping van de spieren
  • Komt het meeste voor bij kinderen
  • Gaat vaak gepaard met harde val, omdat deze aanvallen zeer plots kunnen voorkomen en vooraf geen signaal geven
  • Bewusteloosheid duurt slechts enkele seconden

Tonisch-clonische aanvallen

  • De persoon voelt vooraf prodromi (voortekenen van een aanval een dag of langer voor de eigenlijke aanval plaatsvindt, zoals hoofdpijn en lastigheid)
  • In de eerste fase (tonische fase) zijn alle spieren van het lichaam gedurende tien tot twintig seconden gespannen (stijfkramp)
  • Verschijnselen: cyanose (bleekblauwe verkleuring van het gezicht), onregelmatige hartslag, onregelmatige en moeilijke ademhaling
  • In de tweede fase (clonische fase) wordt de kramptoestand afgewisseld met ontspanning en duurt enkele minuten
  • Verschijnselen: schudkramp (schokkende bewegingen), onregelmatige en moeilijke ademhaling, tongbeet met bloeding, speekselvloed, incontinentie, overgeven
  • Na de aanval blijft de persoon nog even bewusteloos en komt de ademhaling weer op gang, maar klinkt nog diep en rochelend
  • Verschijnselen na de aanval: vermoeiheid, hoofdpijn, spierpijn

3. Anti-epileptica

3.1. Wat is het?

De medicijnen die men bij het behandelen van epilepsie gebruikt, worden anti-epilectica genoemd. Dankzij deze medicijnen komen de aanvallen zelden of nooit voor.

Er zijn verschillende soorten anti-epilectica. Afhankelijk van het type epilepsie dat de patiënt heeft, wordt het nodige anti-epilecticum voorgeschreven.
Het anti-epilepticum dat wordt voorgeschreven, is datgene dat voor het type van de patiënt het beste werkt en de minste bijwerkingen heeft.

De dosering van de anti-epileptica kan het beste worden bepaald aan bloedspiegelbepalingen. Er is een groot aanbod van anti-epilectica, zodat wanneer blijkt dat een middel niet werkt, er een ander middel kan worden geprobeerd. Iemand bij wie de toevallen gestopt zijn, mag niet meteen stoppen met de medicatie, maar moet deze blijven doornemen.

Het kan gebeuren dat de patiënt niet meer weet of hij al dan niet zijn medicijnen heeft ingenomen. Als deze pas voor het gebruik uit de verpakking worden genomen, kan je niet meer controleren of de medicijnen al zijn ingenomen of niet. Daarom biedt het Nationaal Epilepsie Fonds speciale doosjes of etuis aan voor patiënten, zodat ze zorgvuldig hun medicijnen voor een hele week per dag in een vakje kunnen stoppen. Zo kan men meteen zien of de medicijnen voor die dag al zijn ingenomen of niet. Indien er toch een keer medicijnen worden vergeten, moeten deze zo snel mogelijk toch nog worden ingenomen, tenzij het al tijd is voor de volgende dosis. Natuurlijk zijn de regels voor het inhalen van medicatie bij elke soort verschillend, dus kan je het beste een arts contacteren om te informeren wat je bij deze situaties moet doen. Meestal doet het er niet zoveel toe op welk moment van de dag de medicatie wordt ingenomen, maar wat wel zeer belangrijk is, is dat de aangewezen hoeveelheid per dag zeker wordt ingenomen.

Het is niet duidelijk of men een anti-epilepticum moet kiezen op basis van het aanvalstype of het type epilepsie. Het is zo dat elke patiënt anders reageert, ook al hebben ze hetzelfde type epilepsie en hetzelfde aanvalstype. Daarom moeten er vaak eerst een heleboel anti-epileptica worden uitgeprobeerd, voor het middel gevonden is waar de patiënt het beste op reageert.
Bij de meeste geneesmiddelen houdt men vooral rekening met de oplosbaarheid van het product, en wordt niet erg gelet op andere kleine verschillen. Bij anti-epilectica zijn het vaak net deze kleine verschillen die het belangrijkste zijn. Bij de meeste medicatie hebben generieke geneesmiddelen dezelfde werking als de merkproducten. Bij gewone medicatie wordt er vaak niet veel hinder ondervonden bij het overstappen, maar bij anti-epileptica moet men hiervoor zeer voorzichtig zijn, omdat het kleinste verschil terug aanvallen zou kunnen teweegbrengen.

3.2. Soorten anti-epileptica

Broomzouten

  • Sinds 1857 middel tegen epilepsie
  • Eerste effectieve anti-epilepticum
  • Wordt niet langer als anti-epilepticum gebruikt
  • Psychische bijwerkingen: traagheid, sufheid & leerstoornissen
  • Bijwerkingen bij langdurig gebruik: huidafwijkingen & functiestoornissen van traanklieren en maagdarmkanaal

Barbital

  • Sinds 1903 middel tegen epilepsie
  • Wordt niet langer als anti-epilepticum gebruikt
  • Heeft een te versuffende werking om als anti-epilepticum te kunnen worden gebruikt, omdat je nog weinig of geen opdrachten kan uitvoeren

Fenobarbital (vroeger Luminal)

  • Sinds 1912 middel tegen epilepsie
  • Effectief tegen de meeste aanvalstypen
  • Complexe partiële aanvallen reageren niet goed op dit anti-epilepticum
  • Wordt bij zeer lage dosis nog gebruikt, vooral bij zeer jonge kinderen
  • Psychische bijwerkingen: gedragsveranderingen, stemmingsveranderingen, sufheid, traagheid & leerstoornissen
  • Dit anti-epilecticum remt alle normale en abnormale verschijnselen in de hersenen af, waardoor het dus vrijwel wordt om je leven normaal te leiden

Fenytoïne (Diphantoïne)

  • Sinds 1938 middel tegen epilepsie
  • Wordt nog steeds regelmatig gebruikt
  • Kan zeer snel in de bloedbaan terechtkomen (via infuus) en is effectief
  • Psychische bijwerkingen: weinig of geen
  • Andere bijwerkingen: zwelling van tandvlees, met als gevolg tandbederf en tandvleesprikkeling (vooral bij kinderen)
  • Deze stof werkt via de invloed door het celmembraan op het transport van natrium en calcium. De positieve deeltjes van deze twee stoffen zorgen ervoor dat het elektrische potentiaalverschil (of de elektrische spanning of de elektrische gradiënt) die over het celmembraan en de hersencellen heerst, ontstaat en in stand wordt gehouden

Primidon (Mysoline)

  • Dit medicijn wordt in het lichaam omgezet in twee verschillende stoffen, fenobarbital en een andere stof die bijna geen werking heeft op epilepsie, uiteindelijk heeft het dus dezelfde werking als fenobarbital
  • Het wordt gebruikt bij absences (een lichte aanval waarbij de persoon kort buiten bewustzijn is, meestal zonder dat de omgeving hier iets van merkt) bij gegeneraliseerde idiopathische epilepsie (bij dit soort epilepsie ligt de oorzaak niet in de hersenen, maar spelen genetische aspecten een rol)

Acetazolamide (Diamox)

  • Dit medicijn wordt altijd samen met een ander middel tegen epilepsie toegediend, omdat het niet krachtig genoeg is als het alleen wordt gebruikt
  • Het medicijn remt een enzym dat koolstofdioxide met water verbindt af, zodat er koolstofdioxide wordt opgehoopt in de hersenen en dit een anti-epileptisch effect geeft
  • Acetazolamide kan slechts tijdelijk worden gebruikt omdat er gewenning optreedt en het anti-epilecticum bijgevolg niet meer werkt

Carbamazepine (Tegretol)

  • Sinds 1960 een middel tegen epilepsie
  • Dit anti-epilepticum wordt vaak als eerste medicijn gebruikt bij een patiënt met partiële aanvallen bij plaatsgebonden epilepsie.
  • De dosering van dit medicijn begint heel klein en wordt langzaamaan verhoogd, omdat meteen een hoge dosis gebruiken klachten veroorzaakt
  • Bijwerkingen bij chronisch gebruik: weinig of geen op leerprestaties alertheid, er wordt wel in lichte mate water vastgehouden in het lichaam waardoor de patiënt enkele kilo’s bijkomt en het bloed wat verdunt, maar dit zorgt verder voor geen problemen. Ook kan het aantal witte bloedcellen sterk verminderen, dit zorgt echter voor geen problemen omdat het aantal witte bloedcellen bij infecties terug een normaal aantal vertoont

Clonazepam (Rivotril)

  • Dit medicijn behoort tot de groep van benzodiazepinen, net als valium
  • Clonazepam is een zeer krachtig anti-epilepticum, maar er treedt wel snel gewenning op waardoor de werking slechts tijdelijk is
  • Bij het afbouwen van het gebruik van dit medicijn, kan het aantal aanvallen wel sterk toenemen, en ook nog een tijd na het stopzetten ervan
  • Algemene bijwerkingen: sufheid, stuurloosheid, gedragsveranderingen, toegenomen productie van speeksel en slijm in de luchtwegen

Lamotrigine (Lamictal)

  • Dit anti-epilepticum remt de werking van foliumzuur, een B-vitamine
  • Men dacht dat foliumantagonisten, zoals dit medicijn, werkzaam waren als anti-epilepticum omdat het net als fenytoïne het effect van foliumzuur remt
  • Tegenwoordig wordt verondersteld dat het anti-epileptisch effect van lamotrigine totstandkomt via invloed op de celmembraan (met name op de natriumkanaaltjes) en door remming van de productie van glutamine, een aminozuur dat werkt als stimulerende neurotransmitter
  • Lamotrigine wordt gebruikt bij patiënten die therapieresistent zijn en complexe partiële en tonisch-clonische aanvallen hebben
  • Algemene bijwerkingen: weinig of geen
  • Bijwerkingen bij te hoge dosering in het begin: allergische huidreacties en (in)slaapproblemen

Gabapentine (Neurotin)

  • Dit medicijn is werkzaam tegen verschillende aanvalstypen en epilepsiesyndromen
  • Combinatie met andere medicijnen is mogelijk
  • Algemene bijwerkingen: weinig of geen, soms wat duizeligheid en slaperigheid bij het begin van de behandeling

4. EEG-Onderzoek

4.1. Wat is het?

Bij het vermoeden dat iemand epilepsie heeft, tracht men de diagnose te bevestigen door een standaard EEG. Jammer genoeg levert dit in de meeste gevallen geen resultaten op, omdat dit EEG slechts een vijftiental minuten duurt, en de persoon tussen de aanvallen door vaak net als iedereen een normaal EEG vertoont. Als men dit EEG uitvoert bij patiënten die weinig of geen aanvallen hebben, zal men dus zeer zelden een aanval kunnen registreren. Bij personen die zelden aanvallen hebben tracht men over te gaan op een langdurige EEG, die vierentwintig uur duurt, maar ook hier is er slechts een kleine kans dat de patiënt net op dat moment een aanval krijgt zodat die kan worden geregistreerd.

Naast de EEG worden er ook beeldvormende technieken gebruikt om de bouw van de hersenen in kaart te brengen. Deze technieken zijn vaak een ondersteuning om de diagnose van epilepsie te stellen, indien het EEG geen uitsluitsel zou geven.

Een EEG is een onderzoek waarbij men met een apparaat de elektrische activiteit van de hersenschors meet, en zo dus eventueel tot de conclusie kan komen dat een persoon epilepsie heeft. Op de huid van de schedel worden elektroden (verzilverde metalen plaatjes) geplakt op bepaalde plaatsen. Om tot een goede elektrische verbinding te komen, spuit men tussen de plaatjes meestal een zoute pasta. De elektroden zijn via draden verbonden met het EEG-toestel. Dit toestel geeft de spanningsverschillen tussen de elektroden weer door middel van een lijn op papier, die men de EEG-curve noemt. Een standaard EEG geeft 16 lijnen weer, die ieder het spanningsverschil tussen twee punten op de schedelhuid weergeven. Dit spanningsverschil is afkomstig van de hersencellen in de hersenschors. Een normaal EEG geeft een paar typische ritmen weer, die zich ieder op zijn eigen plaats op de schedel bevinden. Door de hypersynchronisatie tijdens epileptische aanvallen, zijn er grote groepen hersencellen die zich net op hetzelfde moment gaan opladen en ontladen. Hierdoor krijg je grote spanningsverschillen te zien, die je op een normaal EEG niet te zien krijgt. Er zijn dan pieken of piekgolfcomplexen te zien die een zeer typisch en sterk herkenbaar patroon hebben.

Een EEG-afwijking kan zich steeds op een bepaalde plaats voordoen. Dit noemt men dan partiële (plaatsgebonden) epilepsie. Indien een EEG-afwijking zich voordoet op alle EEG-kanalen, spreekt men van gegeneraliseerde (niet plaatsgebonden) epilepsie. Dit verschil is vooral belangrijk voor de indeling van verschillende vormen van epilepsie. Tussen de aanvallen door zijn er ook vaak korte epileptische aanvallen te zien. Als men een dergelijk EEG te zien krijgt bij iemand die bijhorende aanvallen heeft, wordt de diagnose van epilepsie duidelijk bevestigd.

4.2. Soorten EEG-onderzoek

Standaard-EEG

  • Dit EEG wordt altijd uitgevoerd als men vermoedt dat iemand epilepsie heeft.
  • Het vindt plaats terwijl de persoon ligt of zit, en tijdens het onderzoek moet de persoon zuchten en in een flitsende lamp kijken waardoor men epileptische aanvallen tracht op te wekken
  • Het afnemen van dit EEG duurt ongeveer 15 minuten

Slaap-EEG

  • Dit EEG wordt afgenomen indien een standaard-EEG niet voldoende resultaten oplevert
  • Laat afwijkingen zien die in waaktoestand niet worden gevonden

EEG-na-slaaponthouding

  • Dit EEG wordt afgenomen indien ook een slaap-EEG geen resultaten toont
  • De patiënt moet een nacht wakker blijven en valt ’s morgens in een diepe slaap, waarbij de EEG wordt afgenomen
  • Door het lange wakker blijven en dan plots in een diepe slaap terecht te komen, kunnen aanvallen worden uitgelokt

Langdurige registratie

  • Dit EEG wordt gebruikt indien men een EEG tijdens een aanval wil maken
  • Naast het EEG worden er ook videocamera’s gebruikt
  • Deze EEG duurt gemiddeld 24 uur, maar kan eventueel langer of korter zijn

Cassette-EEG

  • Dit EEG is een vorm van langdurige registratie met gebruik van een bandrecorder die het EEG-signaal opvangt
  • Als de patiënt een aanval heeft kan hij zelf, of iemand anders, op het knopje drukken waardoor het EEG van dat moment goed te onderzoeken is
  • Nadelen: gebruik van weinig EEG-kanalen, storingsgevoelig

EEG-met-diepte-elektroden

  • Dit EEG wordt gebruikt ter voorbereiding van een operatie
  • De elektroden worden door een opening in de schedel tot vlakbij de plaats in de hersenen, die verantwoordelijk is voor de aanvallen, ingebracht
  • De aanvallen worden geregistreerd op video en het EEG

Magneto-EEG (MEG)

  • Dit EEG registreert de elektrische activiteit van de hersenen
  • Erg gevoelige ontvangers meten de veranderingen in het magnetisch veld dat zich rondom de hersenen bevindt
  • Men tracht via dit EEG hersendelen te onderzoeken die moeilijk te bereiken zijn via een normaal EEG

5. Beeldvormende technieken

5.1. Wat is het?

Nadat men heeft vastgesteld dat een persoon aan epilepsie leidt, kan men beginnen zoeken naar de oorzaak daarvan. Soms kan men reeds door het soort aanval en het EEG de oorzaak reeds benoemen. Als dit niet zo is, moet men aanvullend onderzoek uitvoeren. Hierbij gebruikt men verschillende methoden die een afbeelding geven van de anatomie (bouw) van de hersenen, en soms de werking ervan. Deze beeldvormende technieken vormen een belangrijk zeer belangrijk deel van het verdere onderzoek naar de oorzaak van de epileptische aanvallen. Als een EEG niet genoeg informatie meebrengt over de epilepsie, dan kan een anatomische afwijking op een plek die overeenkomt met de verschijnselen tijdens een aanval, alsnog een bevestiging geven.

5.2. Soorten beeldvormende technieken

CT-scan (computertomografie)

  • Werkt met röntgenstralen
  • Een röntgenlamp wordt in het CT-apparaat rond het hoofd van de persoon gedraaid, hiertegenover worden de röntgenstralen die door het hoofd gaan opgevangen in een soort gevoelige cellen die de dichtheid meten
  • Een computer maakt via de metingen een afbeelding van de hersenen
  • Hiermee herkent men bloedvatmisvormingen, gezwellen en bloedingen

MRI-scan (Magnetic Resonance Images)

  • Werkt met radiogolven
  • De persoon ligt gedurende een korte tijd in een sterk magneetveld, iedere atoom in het lichaam kan men zien als heel klein losliggend magneetje, het magneetveld van het MRI brengt al deze magneetjes even in dezelfde richting waarbij ieder soort atoom of molecuul heeft zijn eigen tijd nodig om weer terug te keren naar de oorspronkelijke positie
  • Een grote magnetische spoel die zich in het MRI bevindt, wordt gebruikt als een antenne om dit te meten, waarna de gegevens van de metingen worden verwerkt in een computer, die een reeks dwarsdoorsneden van de hersenen zal weergeven als afbeelding

PET-scan

  • Werkt met positronen (deeltjes met een positieve lading, die ongeveer even groot zijn als elektronen, die vrijkomen bij het uit elkaar vallen van radioactieve stoffen, als een positron tegen een elektron botst vernietigen deze twee elkaar en blijft er enkel radioactieve straling over)
  • Deze radioactieve straling wordt gemeten en wordt met de hulp van computers berekend in welk hersendeel deze straling plaatsvond
  • Men gebruikt voor een PET-scan meestal radioactief gemerkte glucose of zuurstof, omdat deze worden opgenomen in de hersencellen en actieve cellen er meer nemen dan anderen en men dus zo een plaats kan ontdekken waar zich veel epileptische aanvallen voordoen
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License